Geschiedenis

De peetvaders

“Eigenlijk situeert de start van VIB zich op een vliegtuig richting Boston”, herinnert Luc Van den Brande, tussen 1992 en 1999 minister-president van de Vlaamse regering, zich. “Ik was onderweg naar een investeringseminarie en werd aangesproken door Herman Vanden Berghe.” De toenmalige vice-rector van de K.U.Leuven – en hoofd van het Leuvense Centrum Menselijke Erfelijkheid – argumenteerde dat je met de bestaande subsidies hoegenaamd niet het verschil kon maken in de levenswetenschappen. Hij bedolf de minister-president onder cijfers. Dat de overheidsdotatie voor alle Vlaamse genetische centra samen minder bedroeg dan de subsidie aan het Mechels Miniatuurtheater bijvoorbeeld. Bij Van den Brande, zelf Mechelaar, was een gevoelige snaar geraakt.
 
Alhoewel Vanden Berghe misschien het vuur aan de lont stak, was hij geenszins de enige die inpraatte op de minister-president. ‘Steun de plantenwetenschap’ was ook de boodschap die de Gentse wetenschapper Marc Van Montagu had meegegeven aan Van den Brande. Bovendien waren er niet alleen ongeduldige professoren, maar ook spraakmakende inspirerende voorbeelden zoals de Leuvense hoogleraar Désiré Collen, die met de Californische biotechpionier Genentech scheep ging om zijn ontdekking – weefseltype plasminogeen activator (t-PA) – om te zetten tot een van de eerste en meest succesvolle biotechnologische geneesmiddelen; Plant Genetic Systems dat de plantenkennis van Van Montagu en Jeff Schell omzette in commerciële gewassen; en Innogenetics dat als Vlaams biotechnologiebedrijf diagnostische en therapeutische oplossingen ontwikkelde voor belangrijke ziekten. Bij Luc Van den Brande rijpte het idee om het gerenommeerde Vlaamse biotechnologische onderzoek op een structurele manier te ondersteunen.
 

Mannen met een plan

Op een novemberdag in 1993 nodigt hij Jo Bury en Rudy Dekeyser uit. Twee wetenschappelijk adviseurs van het Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie (IWT) die verantwoordelijk waren voor het Vlaams Actieprogramma Biotechnologie (VLAB) waarmee een aantal academische ‘centres of excellence’ in de biotechnologie worden betoelaagd. “Van den Brande zei ons vlakaf: ‘ik wil jaarlijks één miljard Belgische frank (25 miljoen euro) investeren om de Vlaamse biotechnologie op de wereldkaart te zetten’”, herinneren Bury en Dekeyser zich, “ ‘excellentie in onderzoek moet een speerpunt zijn, maar de vertaling naar maatschappelijke en economische waarde is minstens even belangrijk. Hier is een wit blad papier, aan jullie de taak om een plan te smeden’.”
 
“Na het onderhoud stonden we verbluft terug op straat. Met een wit blad in de hand en een duizelend hoofd”, aldus Bury. “De eerste versie van ons plan bestond uit niet meer dan een reeks ‘bullet points’ die aangaven waar de sterke punten van de Vlaamse biotech lagen en hoe we die duurzaam konden verankeren in wetenschappelijke excellentie en maatschappelijke meerwaarde.”
 
Dekeyser voegt toe: “Wij hadden ook meteen een nieuw ‘instituut’ voor ogen, we wilden geen nieuw ‘granting body’ creëren – een organisatie die subsidies toekent.” Samen met kabinetsmedewerker Dirk Callaerts, en in een latere fase zijn opvolger Bart De Moor, en Christine Claus, destijds directeur-generaal van IWT, vormden Jo Bury en Rudy Dekeyser een operationeel kwartet dat het plan gradueel verder uitwerkte. Minder dan tien weken na hun eerste overleg, zaten Dekeyser en Bury opnieuw bij de minister-president. Het was februari 1994. Het eerste plan werd ontvouwd, en Van den Brande zag dat het goed was. Hij stuurde Dekeyser en Bury – discreet – het veld in om het plan af te toetsen bij de betrokkenen.
 
“Sommigen waren wild enthousiast” aldus Bury, “anderen reageerden veel behoedzamer.” In april 1994 werd het plan officieel voorgesteld en besproken in het parlement en de Vlaamse regering. Het pad tussen april 1994 en april 1995 noemt Bury dan ook redelijk hobbelig met veel heroïsche discussies. Bovenal werd de minister-president ongeduldig: op 21 mei 1995 waren er immers verkiezingen en hij wilde zijn biotechnologie-geesteskind nog tijdens de lopende legislatuur boven de doopvont houden.

 

Op de valreep

Op 5 april 1995, tijdens haar laatste vergadering , geeft de Vlaamse regering haar goedkeuring aan de oprichting van de vzw Vlaams Interuniversitair Instituut voor Biotechnologie (VIB). VIB was een onderzoeksinstituut met 4 kerndepartementen bestaande uit de onderzoeksgroepen van Herman Vanden Berghe en Désiré Collen (beide K.U.Leuven), en van Walter Fiers en Marc Van Montagu (beide UGent). Deze werden aangevuld met 5 geassocieerde departementen: Nicolas Glansdorff (Vrije Universiteit Brussel), Raymond Hamers (Vrije Universiteit Brussel), Danny Huylebroeck (K.U.Leuven), Christine Van Broeckhoven (Universiteit Antwerpen) en Joël Vandekerckhove (UGent). VIB werd een instituut zonder muren waarbij de onderzoeksgroepen op hun universitaire campussen bleven. Daarvoor werden raamovereenkomsten afgesloten tussen de universiteiten en VIB. Verder kreeg VIB een administratief hoofdkwartier in Gent. Om de gestelde doelstellingen te bereiken, voorzag de Vlaamse regering in een jaarlijkse dotatie van 920 miljoen BEF (23 miljoen euro).
 
Dat Rudy Dekeyser en Jo Bury de directeurs van VIB zouden worden, was niet voorzien in de oorspronkelijke plannen. Een andere kandidaat, met naam en faam, was aangetrokken, maar die haakte minder dan een week voor de beslissing van de Vlaamse regering af. “Te ingewikkeld, ondoenbaar, niet te managen, je krijgt dit nooit van de grond” gaf hij op als reden. Dekeyser en Bury werden directeur, op voet van gelijkheid.

 

Van hard tegen onzacht … tot een bijzondere meerwaarde

“De eerste jaren moest iedereen zijn weg vinden, ondanks contracten en afspraken op papier”, herinnert Dekeyser zich. “Eminente professoren zagen in VIB initieel een nieuw subsidieorgaan. Wij vooral een instituut met een langetermijnstrategie en duidelijke kernactiviteiten en doelstellingen. Sommigen beschouwden ons als ballast.”
 
In de loop der jaren ontstaat er echter wederzijds respect en een gevoel bij alle partijen – universiteiten, onderzoekers, industrie, beleidsmakers, … – dat VIB een doorslaggevende meerwaarde heeft voor de biotechnologie in Vlaanderen. “Dankzij zijn unieke constructie is VIB doorgegroeid tot een wereldinstituut dat ons in de buurlanden wordt benijd”, vindt Herman Vanden Berghe. Désiré Collen meent dat VIB niet alleen het klimaat voor biotechondernemingen in Vlaanderen heeft veranderd, VIB is ook de reden dat hij – en andere toponderzoekers – in Vlaanderen zijn gebleven. Christine Van Broeckhoven noemt VIB een kwaliteitsmerk: “Onderzoek onder de vlag van VIB is synoniem voor topwetenschap. We hebben ons allemaal onder die vlag geschaard en zijn steeds meer een instituut geworden.”
 
“VIB leidt ongetwijfeld, of zou dat moeten doen, tot afgunst bij veel Europese regeringen die innovatie, groei en de creatie van jobs willen stimuleren”, zegt Boerge Diderichsen, vicevoorzitter van Novo Nordisk, adjunct-professor aan de Aarhusuniversiteit, en voorzitter van VIB’s institutionele adviesraad. “De ontwikkeling van VIB is opmerkelijk, al meteen van zijn start. De volhardende en halstarrige focus op strategisch basisonderzoek heeft geleid tot een significante groei in wetenschappelijke publicaties. Daarbovenop heeft VIB een succesvolle strategie gekozen om deze uitvindingen te vertalen in interessante toepassingen, waarvan er al heel wat in ontwikkeling zijn. VIB speelt duidelijk in de ‘superleague’ van de Europese onderzoeksinstituten in de levenswetenschappen.”
 
Luc Van den Brande, een van de peetvaders van VIB, kijkt tevreden terug: “In 1993 leek het plan om in Vlaanderen een instituut als VIB op te zetten hoog gegrepen. Maar ondertussen is het bewijs geleverd: VIB is vandaag veel ‘meer’ dan ik ooit had durven hopen. Zelfs de grootste criticasters hebben hun mening moeten herzien.”
 

© shutterstock 2011