Verschillende soorten celtherapie

 

Cel- en weefseltherapie: een breed spectrum

  1. Pure transplantatie

    • Het hoornvlies is het doorzichtige deel aan de buitenkant van het oog en kan door infectie, beschadiging, een aangeboren afwijking of ouderdom troebel worden. De patiënt kijkt dan als het ware door een beslagen voorruit. Transplantatie met een gezond (helder) hoornvlies voorkomt of corrigeert blindheid.
    • Bij hartpatiënten vervangt men soms de hartkleppen door donorkleppen
  2. Transplantatie na bewerking

    • Bij brandwonden of open wonden kan donorhuid soelaas bieden; liefst huid van de patiënt zelf, omdat de kans op afstoting anders te groot is. Men kan echter maar een beperkte hoeveelheid huid wegnemen. De kleine stukjes gezonde huid van bijvoorbeeld 1 cm² worden in het labo in drie weken tijd vermenigvuldigd tot grote stukken huid van ongeveer 800 cm2, voldoende om grote brandwonden te herstellen
  3. Geavanceerde cel- en weefseltherapie
    • Een grote uitdaging is het driedimensionaal kweken van kraakbeenweefsel, denk hierbij aan de reconstructie van oor of luchtpijp
    • De constructie van biologische hartkleppen door de normale celbekleding van de hartklep op een driedimensionale structuur te laten groeien, gaat een stapje verder. Voor een goede hartklep zijn twee celtypes nodig: myofibroblastcellen, voor een stevige spierstructuur, en endotheelcellen, als beschermlaag aan het oppervlak.
  4. Producten, afgeleid van cellen of weefsels

    • Binnenkort zijn gevriesdroogde gekweekte huidcellen van allogene oorsprong als zalfje te koop in de apotheek. Vooral voor mensen met chronische wonden - zoals bij diabetici - is dit een veelbelovend product.  

Autologe en allogene therapie

Wanneer men cellen of weefsel bij één en dezelfde persoon afneemt en opnieuw toedient, spreken we van autologe therapie.
Bij allogene therapie zijn de donor en de te behandelen patiënt twee verschillende personen. Hierdoor bestaat er een risico op afstoting. Om dit te voorkomen zoekt men steeds donormateriaal dat zo goed mogelijk overeenstemt met het weefsel van de patiënt. Deze overeenkomst is enkel bij eeneiïge tweelingen volledig. De meeste patiënten moeten daarom na een transplantatie levenslang afweeronderdrukkende medicatie nemen.
 

 Educatief

 
 

 Nieuws