Groei en ontwikkeling

Groei en ontwikkeling zorgen ervoor dat op negen maanden tijd uit 1 eicel en 1 zaadcel een mens kan groeien met twee voetjes, tien tenen, een neusje, twee ogen en een mond.

Drie processen spelen hier een cruciale rol:

Een perfect aansturen van deze 3 processen is nodig zodat een mens kan uitgroeien tot een individu van duizenden miljarden cellen.

Binnen de dertig uur na de bevruchting deelt de bevruchte eicel zich tot twee dochtercellen, vervolgens tot vier, acht, zestien cellen enzovoort. Na een viertal dagen heb je ongeveer honderd cellen die zich in de baarmoederwand nestelen, om op negen maanden tijd een baby te worden.

Delen alleen is echter onvoldoende. Het mensje dat geboren wordt, bestaat immers uit allerlei verschillende weefsels met hooggespecialiseerde cellen. Die ontwikkeling naar gespecialiseerde cellen noemen we differentiatie. Dit proces verloopt geleidelijk: de bevruchte eicel is nog volledig ‘ongedifferentieerd’, haar nakomelingen zullen zich stapsgewijs omvormen tot steeds verder gespecialiseerde cellen.

De actieve celdood treedt meestal lokaal op en in een bepaalde ontwikkelingsfase. Een fraai voorbeeld hiervan is de vorming van handen en voeten. In een vroeg stadium zijn die peddelvormig, zonder vingers en tenen. Op een zeker moment groeien kleine delen van de peddel sneller dan tussenliggende gebieden en groeien vingers en tenen uit. In de tussenliggende gebieden komt op grote schaal apoptose voor, zodat de weefselgroei er achterblijft. Verhindert men experimenteel het optreden van apoptose, dan ontstaan er aaneengegroeide vingers, een afwijking die bij de mens syndactylie heet.

Ook bij het ontstaan van het verschil in geslacht speelt celdood een belangrijke rol. Het verschil in bouw van de inwendige geslachtsorganen is hormonaal gereguleerd. De productie van geslachtshormonen door de geslachtsklier (eierstok of zaadbal) komt echter pas relatief laat op gang. Voor die tijd zijn er twee sets afvoerwegen van de geslachtsklieren aanwezig en is een embryo eigenlijk gedeeltelijk tweeslachtig. Onder invloed van mannelijke en vrouwelijke geslachtshormonen degenereert één van beide afvoergangen. Bij het meisje blijven zo de primitieve eileider en baarmoeder bestaan en bij de jongen de primitieve zaadleider.

Opmerkelijk is dat het aantal apoptotische cellen bij verwante diersoorten kan variëren. Een embryonale eendepoot toont minder apoptose dan een kippepoot in ontwikkeling. Een eend houdt dan ook zwemvliezen tussen de tenen, terwijl een kip volledig gescheiden tenen heeft.

Meer info:

 

 Educatief

 
 

 Nieuws