Gentherapie

Wat is gentherapie?

Bij gentherapie breng je een functioneel gen of een genfragment in bij een patiënt om zo fouten te herstellen of om de cel een nieuwe functie te geven.

Deze therapie richt zich erop om aandoeningen met een genetische oorzaak te genezen door genetisch materiaal in te brengen in een ziek persoon. Verschillende ongeneeslijke ziekten werden reeds met succes behandeld door gentherapie wat het potentieel van deze nieuwe behandelingswijze illustreert. Toch moet de gentherapie technologie nog verder verfijnd worden opdat het nog veiliger en doeltreffender zou worden.

Er zijn verschillende manieren om gentherapie te verwezenlijken, door genadditie, genvervanging of gencontrole.

Bij genadditie wordt een extra gen ingebracht in de cel. Dit gen wordt vervolgens vertaald in het eiwit dat in de zieke cel niet of onvoldoende aanwezig was. Zo kan het eiwit zijn genezende functie uitvoeren. Er is een mogelijkheid dat het nieuwe gen zich inplant in het chromosoom van de ontvangende cel, waarna het als een nieuw kenmerk wordt doorgegeven aan de dochtercellen. Zelfs als het zich niet integreert in het chromosoom van de doelwitcel kan het bij niet-delende cellen (zoals spier- of levercellen) aanleiding geven tot langdurige genexpressie. In delende cellen zal het toegediende gen geleidelijk verdwijnen waardoor genexpressie gradueel vermindert.
Genvervanging betekent dat een niet actief of fout gen vervangen wordt door een functioneel exemplaar. Het slechte gen wordt verwijderd. Het nieuwe gen moet op exact dezelfde plaats terechtkomen als het slechtwerkend gen.

Bij gencontrole tracht men de expressie van een gen te veranderen door het gen zelf te blokkeren of te activeren. Er zit dan geen fout in het gen, wel in de controle-elementen die de activatie van het gen reguleren.

Voor genvervanging en gencontrole worden voorlopig geen klinische studies uitgevoerd.
 

Behandelmethoden

Het droomscenario voor elke gentherapie luidt “genezende genen inspuiten in de bloedstroom en wachten tot de zieke cel het DNA opneemt en zichzelf geneest”. In vaktermen wordt dit soort therapie ‘in vivo therapie’ genoemd. Voor een groot aantal aandoeningen is gentherapie als standaardbehandeling momenteel nog toekomstmuziek. DIt rechtvaardigt de continue inspanningen die geleverd  worden om de technologie verder te verfijnen.Artsen beperken zich in hun klinische tests meestal tot ex vivo en in situ therapieën. Wat zijn de verschillen tussen ex vivo, in situ en in vivo?

Ex vivo (letterlijk: buiten het lichaam): artsen isoleren lichaamscellen van de patiënt en brengen die in een laboratorium in contact met het therapeutisch gen. De cellen die het genezende gen opnamen, worden opnieuw toegediend aan de patiënt. De ex vivo methode past men vooral toe op bloedcellen en beenmergcellen.

In vivo
(letterlijk: in het lichaam): artsen injecteren de vector met het gen in de bloedstroom van de patiënt. Het zoekt zijn weg naar de doelwitcel om zijn therapeutisch gen af te leveren. Als gentherapie de hooggespannen verwachtingen wil inlossen, moet in vivo therapie verder ontwikkeld worden tot een routinematige behandeling. Sommige onderzoekers gaan nog een stapje verder. Ze zoeken methoden om genen via een pilletje toe te dienen.

In situ
(letterlijk: ter plaatse): verwant met in vivo therapie. ‘In situ’ betekent ‘ter plaatse’. Bij ‘in situ’-therapie brengen de artsen het therapeutisch gen rechtstreeks op het zieke weefsel aan, zodat het niet via de bloedbaan moet circuleren. Voorbeeld: de inhalatie van aërosolen met therapeutische genen voor mucoviscidose.
 

Virussen zorgen voor transport van genen

Het genetisch materiaal dat bij genoverdracht in de lichaamscellen wordt gebracht, zit verpakt in een vector. Op dit ogenblik zijn vectoren afgeleid van virussen de meest gebruikte.

Virussen specialiseren zich in het binnendringen van cellen en het binnensmokkelen van hun genen in de kern van de gastheercel. Wanneer men de virale genen van een virus vervangt door een therapeutisch gen in een virale vector, kan dit gen op een efficiënte wijze in de cellen van de patiënt binnengebracht worden. Sommige virussen die in de natuur voorkomen (bv. adeno-geassocieerde virussen of AAV) veroorzaken geen ziekten bij mens noch dier en zijn dus ideaal om hieruit vectoren af te leiden voor gentherapie. Andere virussen zijn van nature ziekteverwekkers (bv. het adenovirus dat verkoudheden veroorzaakt). Om te voorkomen dat een virus de patiënt ziek maakt en te zorgen dat het enkel het gewenste genetisch materiaal inbouwt, wordt het virus bewerkt. Zo worden ziekteverwekkende eigenschappen van het virus uitgeschakeld door al de virale genen te vervangen door het potentieel therpeutisch gen. Ondanks deze wijzigingen, is het niet uitgesloten dat wanneer dergelijke vectoren in hoge dosissen gebruikt worden, ze soms toch nog bijwerkingen geven. Daarom zijn wetenschappers continu op zoek naar verbeterde vectoren en ideale methoden voor genoverdracht.
 

 Educatief

 
 

 Nieuws