Transgene dieren

Een genetisch gewijzigd dier kan op twee manieren worden gemaakt. De eerst uitgevonden en eenvoudigste manier is door in een bevruchte eicel met een heel dunne naald het DNA in te spuiten dat je in het erfelijk materiaal van het dier wilt inbouwen. Het dier bevat dus een extra stukje DNA, waarvan je van tevoren niet weet waar het in het erfelijk materiaal van het dier is terecht gekomen.
 
Een tweede manier maakt gebruik van zogenoemde embryonale stamcellen. Embryo’s van enkele dagen oud worden ‘geoogst’ en hieruit worden embryonale stamcellen gehaald. Deze stamcellen worden in een kweekschaaltje in leven gehouden.Je brengt hierop ‘homoloog DNA’ aan waarin wijzigingen zijn aangebracht. Homoloog betekent dat het DNA dezelfde DNA-volgorde kent als het DNA in het dier dat je wil wijzigen.
 
Eenmaal opgenomen in de stamcellen zoekt dit homoloog DNA zijn cellulaire kopie in de celkern op en wordt de modificatie aangebracht door uitwisseling (‘recombinatie’). Op die manier kan je bestaande genen uitschakelen,  wijzigen of nieuwe eigenschappen toevoegen. De gemodificeerde embryonale stamcellen worden vervolgens geïnjecteerd in een embryo van enkele dagen oud (een ‘blastocyst’), mwaardoor dat embryo een mengeling van gemodificeerde en niet-gemodificeerde stamcellen heeft. Het embryo ontwikkelt zich vervolgens tot een volwassen individu waarvan een deel van de cellen genetisch gewijzigd is. Om een dier te krijgen dat in al zijn cellen genetisch gewijzigd is, volstaat het om een dier waarvan de geslachtscellen de wijziging dragen nakomelingen te laten krijgen.