Veel gestelde vragen over GGO’s en voeding

Zijn GGO’s even veilig als ander voedsel?

Vooraleer genetisch gewijzigde organismen op de markt worden toegelaten, worden ze grondig onderzocht op veiligheidseffecten voor gezondheid en milieu. Genetisch gewijzigde voeding moet net zo veilig zijn als conventionele voeding, zo niet kunnen ze niet verbouwd en verkocht worden. Onze wetgeving over de veiligheid van GGO’s is verankerd op niveau van de Europese Unie, en stelt de gezondheid van de consument als hoogste prioriteit. Om kort te gaan: er zijn geen redenen om te vrezen dat het eten van GGO’s ongezond zou zijn.

Bij de beoordeling van genetisch gewijzigde gewassen primeert de veiligheid. Maar hoe veilig moet voeding zijn? Een absolute veiligheid bestaat niet. Zelfs in het beste geval kan men niet elk potentieel risico op lange termijn uitsluiten. Dit geldt echter voor elke technologie. Bovendien is veiligheid relatief: we kunnen de veiligheid van een product alleen beoordelen door ze met die van andere producten te vergelijken. In het geval van genetisch gewijzigde landbouwgewassen zijn de conventioneel veredelde gewassen momenteel het meest zinvolle referentiepunt.

In de beoordeling van veiligheid is ook (on)zekerheid een belangrijk begrip. Hoe zeker of onzeker zijn we over de mogelijke risico’s? Hoe minder we weten over de mogelijke risico’s, des te voorzichtiger moeten we zijn. Dit heet het voorzorgsprincipe. 

 

Is genen eten gevaarlijk?

Genen eten is niet gevaarlijk. Bijna al ons voedsel bevat DNA dat gewoon wordt verteerd. Het maakt geen enkel verschil uit of dit DNA afkomstig is van GGG's, gangbare gewassen, eieren of vlees. Toch heeft men zich afgevraagd of lichaamscellen geen intacte genen opnemen, waardoor je een ongewenst effect zou kunnen verkrijgen. Dat blijkt niet het geval. Na een maaltijd wordt er nog enige tijd planten-DNA in de lever en in de pancreas gevonden, maar niets wijst erop dat het DNA actief is of kan worden opgenomen in het erfelijk materiaal. Ook hier is er trouwens geen verschil tussen het DNA van conventionele en van genetisch gewijzigde gewassen.


Verhogen GGO’s het gevaar op allergie?

Vormt genetische wijziging een risico voor de vorming van nieuwe allergieën? Niet meer dan bij conventionele veredeling. De ervaring heeft geleerd dat ook nieuwe conventionele voedingsproducten nieuwe allergieën kunnen doen ontstaan. Een voorbeeld is de kiwi, die kort na zijn introductie bij sommige mensen allergische reacties bleek te veroorzaken.

Ook genetische wijziging kan in principe het allergisch vermogen van voedsel wijzigen. Zo kan men een allergeen (=stof die een allergische reactie veroorzaakt) als nieuw eiwit in de plant brengen. Dit is bijvoorbeeld gebeurd toen onderzoekers een interessant eiwit uit de paranoot in soja brachten. Men weet dat de paranoot bij veel mensen allergische reacties veroorzaakt, maar tot voor kort kende men het eiwit niet dat aan de basis lag van de reacties. Uiteindelijk bleek nu net het interessante paranooteiwit de allergene factor te zijn. De ontwikkeling van deze transgene soja is stopgezet.

Anderzijds kan men met genetische wijziging ook allergenen (en gifstoffen) uit planten verwijderen. Heel wat mensen zijn bijvoorbeeld allergisch aan soja. Onderzoekers zijn erin geslaagd transgene soja te maken zonder het allergeen dat meer dan de helft van de soja-allergieën veroorzaakt.

Genetisch gewijzigde voeding mag in Europa niet op de markt worden gebracht vooraleer er een allergeniteitsanalyse is uitgevoerd. Gekende allergenen aantonen is relatief eenvoudig. Men beschikt over bloedstalen van allergiepatiënten die op de specifieke allergenen reageren. Het is begrijpelijk genoeg minder eenvoudig om het allergisch vermogen aan te tonen van eiwitten die nog nooit eerder zijn gegeten, omdat hiervoor nog geen allergiepatiënten bestaan. Dergelijke producten onderzoekt men op een aantal algemene kenmerken van allergenen, zoals resistentie tegen afbraak. Als er geen gelijkenissen worden gevonden, zal een eiwit waarschijnlijk geen allergeen zijn en wordt het op de markt toegelaten.


Wat brengt de toekomst?

De huidige generatie transgene gewassen kent vrij eenvoudige wijzigingen, zoals het inbrengen van een gen dat resistentie biedt tegen een bepaalde keversoort. In de toekomst kunnen ze echter veel complexer en ingrijpender zijn. Het testen van voedselveiligheid wordt dan ook heel wat ingewikkelder. Men ontwikkelt daarom nu al tests die berekend zijn op een grotere complexiteit, zodat we ook in de toekomst de garantie hebben dat genetisch gewijzigde voeding minstens even veilig is als conventionele voeding.


Hoe herken ik GGO’s in de winkel?

Voedsel met het etiket ‘genetisch gewijzigd’ bevat producten die afgeleid zijn van de moderne genetisch gewijzigde organismen. Deze producten zijn op verschillende manieren getest op voedselveiligheid en allergeniteit en werden vergeleken met relevant ander voedsel. Pas nadat deskundigen van mening zijn dat deze producten (minstens) even veilig zijn als het vergelijkbare andere voedsel mag het licht op groen.

Ook in voedingsmiddelen waarvan het etiket geen specifieke aanduiding bevat kunnen toevallige sporen van genetisch gewijzigde organismen (GGO’s) voorkomen. Dit is echter altijd minder dan 0,9% van een bepaald ingrediënt. De detectiemethoden zijn zo gevoelig dat we bijna in staat zijn om de spreekwoordelijke speld in de hooiberg te vinden. Toch kan men niet volledig voorkomen dat er ongewild een lichte vermenging ontstaat tussen GGO’s en niet-GGO’s, bijvoorbeeld bij het transport.


Hoe verloopt de Europese voedselveiligheidsbeoordeling?

De voedselveiligheidsbeoordeling die de Europese wetgeving voorschrijft bestaat uit 5 onderdelen:

  1. Een gedetailleerde moleculaire beschrijving van de genetische wijziging in het DNA van de plant.
  2. Toxicologische tests die inzicht geven in gezondheidseffecten op korte en lange termijn.
  3. Een analyse van de potentiële allergische reacties op de transgene plant.
  4. Vergelijking van de samenstelling van de gewijzigde en niet-gewijzigde gewassen om na te gaan of er geen onverwachte en ongewenste wijzigingen ontstaan zijn. Afhankelijk van de plant onderzoekt men de eiwitten, vetten, droge stof, koolhydraten, toxische componenten en/of nutriënten.
  5. Een analyse van de plant in het veld, waarbij afwijkend gedrag een aanwijzing zou kunnen zijn voor onverwachte en ongewenste wijzigingen.


Heb ik de vrije keuze om te beslissen of ik al dan niet GGO’s koop en eet?

De vrijheid van de consument om al dan niet te kiezen voor GGO’s staat met hoofdletters in het Europese GGO-beleid gebeiteld. Dit principe vormt de basis van de Europese GGO-etiketteringsregels: alle landbouw- en voedingsproducten die bestaan uit GGO’s of daarvan afgeleide producten moeten een GGO-aanduiding dragen. Op voorverpakte producten met een ingrediëntenlijst moet de GGO-aanduiding in de ingrediëntenlijst zijn opgenomen, anders gewoon op de verpakking. Bij los verkochte producten moet de GGO-aanduiding duidelijk zichtbaar op of naast het product worden aangebracht.

Er zijn twee uitzonderingen waarin er géén GGO-aanduiding hoeft te worden aangebracht:

  1. als de GGO’s of daarvan afgeleide producten in minder dan 0,9% (op ingrediëntbasis) aanwezig zijn én deze aanwezigheid toevallig of technisch onvermijdbaar was.
  2. als het van een GGO afgeleide product het resultaat is van een fermentatieproces; producten die technische hulpstoffen, additieven of ingrediënten bevatten die met behulp van genetisch gewijzigde micro-organismen in een gesloten fermentorsysteem geproduceerd zijn, hoeven geen GGO-aanduiding te dragen.


Hoe wordt de GGO-keten beheerd?

In onze voedingssector wordt weinig aan het toeval overgelaten. Er zijn allerlei systemen ingevoerd die maken dat we weten van welke koe onze biefstuk komt, en welke ingrediënten in welke batch met frisdrank terecht zijn gekomen. Voor GGO’s is dat niet anders: ook hier bestaan er verplichtingen die de traceerbaarheid van GGO’s en afgeleide producten in de voedselketen moeten garanderen.

Deze traceerbaarheid moet:

  1. de mogelijkheid creëren om in te grijpen en producten uit de keten te verwijderen, mocht er een onverhoopt probleem met een GGO of een daarvan afgeleid product opduiken.
  2. een middel zijn om de etiketteringsverplichting te kunnen controleren: voor heel wat van GGO’s afgeleide producten kun je immers niet meer met een test aantonen dat ze van een GGO afkomstig zijn—ze zijn chemisch volstrekt identiek aan hun conventionele tegenhanger-en zijn we helemaal afhankelijk van papieren gegevens.

 

 

 Educatief

 
 

 Nieuws