Coëxistentie van genetisch gewijzigde en conventionele landbouw

De teelt van genetisch gewijzigde gewassen kan een impact hebben op naburige gewassen. Stuifmeel van genetisch gewijzigde maïs kan bijvoorbeeld overwaaien naar een naburig maïsperceel en daar een aantal bloemen bevruchten zodat er op dat naburige perceel een aantal genetisch gewijzigde zaden gevormd worden. Er kan ook op andere manieren vermenging optreden, bijvoorbeeld doordat een oogstmachine gemodificeerde zaden van het ene naar het andere perceel overbrengt.

 

Economische schade vermijden

Vermenging hoeft niet altijd een probleem te zijn. Maar wanneer de vermenging hoger uitkomt dan 0,9% van de oogst van een perceel, dan moet die oogst als genetisch gewijzigd gelabeld worden. Wanneer een landbouwer deze oogst wil verkopen, en de genetisch gewijzigde variant een lagere marktwaarde heeft dan zijn oorspronkelijke gewas, wordt die landbouwer met een economische schade geconfronteerd.  

Om dit te voorkomen, is in verschillende EU lidstaten een zogenoemde ‘coëxistentie’-wetgeving uitgewerkt, ook in Vlaanderen (Vlaams coëxistentiedecreet pdf - 344Kb). Hierin worden afspraken vastgelegd over hoe omringende landbouwers geïnformeerd moeten worden, welke isolatieafstand nageleefd moet worden, welke andere teeltmaatregelen noodzakelijk zijn, hoe bezwaren kunnen worden ingediend, en hoe eventueel opgelopen economische schade ongedaan wordt gemaakt. In Vlaanderen is voor dit laatste een fonds opgericht dat de  landbouwers vergoedt. Dit fonds wordt gespijsd met  bijdragen van landbouwers die een genetisch gewijzigd gewas telen. Ze betalen een bepaald bedrag per ha genetisch gewijzigde teelt. 
 
De genetisch gewijzigde-teeltmaatregelen worden per gewas vastgelegd. Zo is er een uitvoeringsbesluit uitgewerkt specifiek voor maïs, en wordt er gewerkt aan een specifieke teeltmaatregelen voor genetisch gewijzigde aardappelen. Voor andere gewassen zullen ook dergelijke maatregelen uitgewerkt worden. 
 

Maïs: een praktijkvoorbeeld  

Voor maïs geldt in Vlaanderen een isolatie-afstand van 50 meter. Wanneer de teeltmaatregelen voor maïs correct nageleefd worden, is de kans bijzonder klein dat een naburige teler economische schade lijdt. Om correcte naleving te bevorderen voorziet het decreet dat telers van genetisch gewijzigde gewassen en loonbedrijven een opleiding volgen. Idereen die een teelthandeling in een genetisch gewijzigde teelt verricht, moet correct geïnformeerd worden. Daarenboven heeft Vlaanderen zichzelf een verplichting tot evaluatie opgelegd. In deze context werd aan ILVO , het instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek, gevraagd om de praktijktoets voor maïs uit te voeren. ILVO legde het hele proces vast in een film.

ILVO legde in Wetteren een proefveld van 12 hectare aan en splitste het op in deelpercelen.  Centraal werd één perceel ingezaaid met MON810, de enige genetisch gewijzigde maïs die in de EU geautoriseerd is voor teelt. Er omheen werd niet-genetisch gewijzigde maïs geplant. In de simulatie werden de deelpercelen beheerd alsof ze verschillende landbouwers toebehoorden.  
Met de proef hadden de ILVO onderzoekers drie grote doelstellingen voor ogen: 

  1. Evaluatie van de doeltreffendheid van de teeltvoorwaarden om vermenging te voorkomen
  2. Uitwerking van een procedure voor een kosten-efficiënte, realistische en representatieve staalname
  3. Het genereren van documentatiemateriaal bruikbaar bij de opleiding van landbouwers en loonwerkers

De eindconclusie van het ILVO-onderzoek is dat de door de Vlaamse regering vooropgestelde isolatieafstand van 50 meter ruim voldoende is om ggo-contaminatie van de conventionele partijen maïs door rondvliegend stuifmeel onder de drempelwaarde van 0,9% te houden. Ze tonen ook aan dat er voornamelijk rekening gehouden moet worden met mogelijke verspreiding via de zaaimachines, dorsers en verhakselaars. Ze werkten adviezen uit om ook dit risico tot een minimum te beperken.

Meer info:

Bekijk de film of lees het uitgebreide ILVO-rapport.