Er worden in België, maar ook daarbuiten, dierproeven uitgevoerd. Die proeven worden op dieren uitgevoerd omdat het onmogelijk is ze op mensen uit te voeren. Dat zouden we niet kunnen en niet willen. Er worden dierproeven uitgevoerd voor
wetenschappelijk – met name biomedisch – onderzoek, voor het testen van de veiligheid van bepaalde consumentenproducten en voor het testen van de veiligheid van chemische stoffen. In sommige gevallen wordt het uitvoeren van dierproeven expliciet door de wetgeving vereist.
In het overgrote deel van de gevallen worden kleine knaagdieren, met name muis en rat, gebruikt voor dierproeven. Het gebruik van dieren voor het testen van de veiligheid van bepaalde consumentenproducten ligt – terecht – heel gevoelig. Over de jaren heen zijn er met name voor dat soort van dierproeven al heel wat alternatieven ontwikkeld. Het gaat dan vooral om proeven op cellen die in reageerbuizen gekweekt worden.
Dierproeven zijn onvermijdelijk voor het boeken van de noodzakelijke vooruitgang in het medisch-wetenschappelijk onderzoek
Het medisch-wetenschappelijk onderzoek wil bijdragen tot het verbeteren van de gezondheidszorg. Het wil bijdragen tot de ontwikkeling van nieuwe methodes om ziekten te voorkomen, te diagnostiseren en te behandelen. Om dat te realiseren moet het functioneren van het menselijk lichaam in ziekte en gezondheid eerst beter doorgrond worden. De verschillende moleculaire mechanismen die aan de basis liggen van ziekte moeten ontrafeld worden. Dit kan vandaag niet zonder voor een deel gebruik te maken van dieren. In veel ziekten is immers sprake van een complexe interactie tussen verschillende componenten, cellen en weefsels, in een driedimensionele structuur. Die interactie en communicatie is niet altijd na te bootsen in celculturen en dat maakt dat dieren voor een stuk nodig blijven om die complexe interacties te doorgronden. In veel gevallen worden zogenoemde diermodellen gebruikt: dieren waarin bepaalde ziektesymptomen genetisch, chemisch of op een andere manier worden opgeroepen. De menselijke ziekte wordt nagebootst. Dergelijke experimenten leveren veel relevante informatie op en veel van de nieuwe geneesmiddelen die vandaag op de markt worden gebracht zijn mede daardoor tot stand gekomen.
Proefdiergebruik wordt geminimaliseerd door toepassing van de drie V’s(vervanging, vermindering, verfijning)
De “drie V’s” zijn een centraal begrip in de proefdierkunde. Ze staan voor Vervanging, Vermindering en Verfijning van dierproeven. Deze principes moeten altijd toegepast worden wanneer een dierproef overwogen wordt.
Vervanging
Dit principe betekent dat waar mogelijk een dierproef altijd moet worden vervangen door een alternatief waarvoor geen dieren noodzakelijk zijn. Bijvoorbeeld een experiment met cellen in een reageerbuis als alternatief.
Vermindering
Dit principe houdt in dat wanneer je een dierproef uitvoert, je dit altijd met het laagst mogelijke aantal dieren moet doen waarmee je nog een wetenschappelijk en statistisch relevant resultaat kunt verkrijgen.
Verfijning
Dit principe houdt in dat je voor elke handeling die je met een proefdier wilt uitvoeren na moet gaan of er geen manier is waarop je die handeling kunt uitvoeren zodanig dat het dier er minder hinder of pijn van heeft. Dit betekent bijvoorbeeld dat je waar mogelijk verdoving moet toepassen, of dat je een dikke naald door een fijne moet vervangen. Maar er is veel meer dan dat.
Alternatieven
Er wordt al jarenlang gewerkt aan de ontwikkeling van alternatieven voor dierproeven. En met succes. Er zijn al heel wat in vitro alternatieven ontwikkeld, met name voor het uitvoeren van meer routinematig toxicologisch getint onderzoek. Verschillende organisaties en instituten houden zich bezig met de verdere ontwikkeling en validatie van alternatieven, onder meer:
Meer informatie over het hoe en waarom van dierproeven