DNA

DNA (desoxyribonucleïnezuur) is de molecule die door alle levende organismen gebruikt wordt om erfelijke informatie te bewaren en door te geven. Het bevat de genetische instructies die gebruikt worden voor ontwikkeling en werking van alle levende wezens. De stukken van het DNA die deze informatie bevatten, worden genen genoemd.

DNA bestaat uit twee heel erg lange strengen van letters (nucleotiden), die zich samen buigen tot een dubbele helix. De volgorde waarin de basen staan, als letters van een woord, vormt de uiteindelijke erfelijke boodschap.

De twee strengen zijn aan elkaar verbonden door zogenaamde baseparen. Een basepaar verbindt twee tegenover elkaar liggende nucleotiden. De volgorde van nucleotiden in een streng noem je een sequentie. Omdat er zeer veel sequenties mogelijk zijn, kan de volgorde van nucleotiden unieke erfelijke informatie verschaffen.
 
In zijn meest gekende vorm is het DNA compact verpakt in chromosomen. Elk chromosoom is één lange opgewonden DNA-streng en bevat ongeveer duizend genen.
 

 

DNA is een schrift met 4 letters






DNA heeft slechts vier bouwstenen: de nucleotiden adenosine, cytidine, guanosine en thymidine. Een nucleotide bestaat uit een base (adenine (A), guanine (G), cytosine (C) en thymine (T)), een suiker en een fosfaatgroep. De nucleotiden volgen elkaar op in één lange keten.
 
 
 
 
 
 
 

DNA is een boek met een boeiend verhaal 

  • De lange DNA-keten, die in elke cel van het menselijke lichaam voorkomt, kan je vergelijken met een dik boek. 
  • De volgorde van de nucleotiden kan je lezen als de letters van een boek. 
  • De specifieke opeenvolging van letters vormen dan onze genen.
    Genen geven de cel de opdracht voor de aanmaak van eiwitten. Soms zijn het korte zinnen: genen opgebouwd uit amper enkele honderden letters of nucleotiden. Andere genen zijn net heel lang en bestaan uit enkele miljoenen nucleotiden.

DNA is een gedraaide touwladder

De DNA-keten heeft de vorm van een ladder in spiraalvorm of een dubbele helix. De onderzoekers Watson en Crick (die daar later de Nobelprijs voor kregen) stelden dit model in de jaren vijftig voor het eerst voor. 

  • Elke trede van de ladder stelt een binding tussen 2 nucleotiden voor, één van elke streng. 
  • De bindingen zijn niet willekeurig. Een A bindt steeds met een T, een C steeds met een G. Daarom noemt men A en T enerzijds, en C en G anderzijds, complementaire basen. Deze complementariteit is nodig om levensnoodzakelijke biologische processen mogelijk te maken, zoals de DNA-kopieerreactie en de eiwitsynthese.