Cellen

De cel is de kleinste eenheid binnen een organisme of levend wezen dat alle genetische informatie van dat organisme bevat. Alle planten, dieren, schimmels en bacteriën bestaan uit cellen. De cel bestaat onder meer uit een celmembraan, dat de inhoud omgeeft, het cytoplasma waarin (behalve bij bacteriën) een celkern aanwezig is. Het cytoplasma bestaat zelf uit cytosol en celorganellen.
 
Cellen zijn minuscuul klein en liggen aan de basis van alle leven. Sterker nog: ze kunnen het ook helemaal op hun eentje. Een bacterie bestaat uit één cel. De mens heeft er zo'n tienduizend miljard.
 

Elke cel heeft zijn specifieke functie

Onze cellen zijn georganiseerd in weefsels die op hun beurt samenwerken in organen (zoals een spier, een nier of een hart): vandaar dat ze allemaal hun eigen specifieke functie en vorm hebben. Een hartcel heeft immers heel andere taken dan een levercel.
 

De cel uitgekleed

Als we cellen bekijken, zien we een fundamentele verwantschap.
  • gemiddelde diameter: ongeveer 15 micrometer (15 miljoenste meter), ongeveer 200 keer kleiner dan een peperbolletje
  •  

 

  • 70% water, 20% eiwitten en 10% andere biomoleculen en zouten
  • gelachtig zakje
  • omgeven door een celmembraan, samengesteld uit lipiden, cholesterol en eiwitten
  • planten, bacteriën en schimmels hebben rond het celmembraan nog een celwand, dierlijke cellen hebben dit niet.  

                                            

             plantencellen                                                                dierlijke cel

Elk van de onderdelen van de cel staat in voor specifieke taken:

  • Cytoplasma
Het gelachtig materiaal binnenin de cel heet het cytoplasma. Het is opgebouwd uit een groot aantal organellen, verschillende kleine fabriekjes die specifieke producten aanmaken. Deze producten worden elders in de cel of in het lichaam gebruikt. De organellen worden samengehouden door het cytoskelet, een structuur die bijdraagt tot de specifieke vorm van een cel.
  • De celkern: databank van de cel
De celkern dicteert hoe de cel zich moet gedragen. Het  bevat een grote databank met het erfelijke materiaal. Daarnaast zijn in de celkern ook alle elementen aanwezig om informatie uit de databank te lezen en te verwerken.
Verschillende organellen staan in voor de aanmaak van eiwitten op basis van de informatie uit de celkern. De ribosomen en het endoplasmatisch reticulum voeren de eiwitsynthese uit. Het golgi-apparaat verpakt de gevormde eiwitten vervolgens in blaasjes. Deze blaasjes worden verder getransporteerd door de cel of uit de cel afgescheiden.
  • Cellen hebben energie nodig om te functioneren
Andere organellen, de mitochondriën, vormen de ‘krachtcentrales’ van de cel. Ze zetten voedingsstoffen om in brandstof. Deze energievoorziening is nodig voor de opbouw en de vervanging van biomoleculen en cellulaire structuren.
 

 Educatief

 
 

 Nieuws