Homepage  
 
Information and education

Biotechnologie: nut en veiligheid
Biotechnologie in onze maatschappij
VIB - onderzoek
DOSSIER POPULIER
  Biobrandstof
  Gewijzigde populieren
  Belgische wetgeving
  Lijdensweg veldproef
  Veelgestelde vragen
VIB treedt naar buiten
VIB biedt aan
Profiel en Team
Contact


     
   
   

Vraag en antwoord

De vragen
Biobrandstof
Wat is bio-brandstof?
Wat is het verschil tussen biobrandstoffen van de 1e en de 2e generatie?
Hoe maak je bio-ethanol?
Waarvoor wordt bio-ethanol precies gebruikt?

Biobrandstof uit populieren
Waarom populieren inzetten voor de productie van bio-ethanol?
Waarom genetisch gewijzigde populieren?
Wat is cellulose?
Wat is hemicellulose?
Wat is lignine?

Hoe maak je gewijzigde populieren?
Wat betekent GGO?
Wat wil transgeen zeggen?
Hoe verloopt de ontwikkeling van een GGO?
Is het ontwikkelen van een genetisch gewijzigde plant wel veilig?

De lijdensweg van een veldproef
Wie moet er allemaal zijn toestemming geven voor een veldproef in België?
Hoe verliep de aanvraag van de VIB-veldproef?
Waarom verbieden de federale ministers de veldproeven met de VIB-populieren?
Wat vindt VIB van de argumenten van de ministers?
Hoe reageerde  de Vlaamse overheid op de federale beslissing?
Waarom stapte VIB naar de Raad van State?

De antwoorden
Wat is bio-brandstof?
Biobrandstoffen zijn van biologisch materiaal gemaakt, in de meeste gevallen planten. Zoals alle brandstoffen, brengen ze CO2 in de lucht als we ze verbranden. Als we biobrandstoffen verstoken, brengen we gewoon het CO2 terug in de lucht dat de planten er eerst zelf hadden uitgehaald. Dit in tegenstelling tot fossiele brandstoffen (steenkool, olie en aardgas) die nieuw CO2 in de lucht brengen. CO2 is een broeikasgas: hoe meer CO2 er in de lucht zit, hoe sterker de aarde opwarmt.

Met biobrandstoffen alleen zullen we de opwarming van de aarde niet stoppen, maar ze zijn wel een deel van de oplossing, naast energiebesparing en andere vormen van niet-fossiele energie, zoals wind- en zonne-energie.

Wat is het verschil tussen biobrandstoffen van de 1e en de 2e generatie?
Biobrandstoffen van de 'eerste generatie' worden gemaakt van suikers, zetmeel of olie afkomstig van voedselplanten, afkomstig uit de reguliere landbouw.  Mais en koolzaad leveren bijvoorbeeld brandstoffen van de eerste generatie.

Biobrandstoffen van de 'tweede generatie' worden gemaakt van niet-eetbare resten van voedselplanten of van gewassen die niet voor de voedselproductie worden gebruikt zoals bomen. De productie van deze brandstoffen concurreert niet met de voedselproductie. De gewijzigde populieren van VIB behoren tot de tweede generatie. Stro en algen zijn andere voorbeelden.

Hoe maak je bio-ethanol?
De productie van bio-ethanol is goed te vergelijken met die van bier:  je begint met plantaardig materiaal dat suiker-polymeren bevat (bij bier is dat het zetmeel uit gerst, bij bio-ethanol is dat bijvoorbeeld cellulose uit populier). Dat materiaal breek je af tot eenvoudige suikers (glucose). Brouwers noemen die stap het ‘mouten’; bij populieren heeft die stap niet echt een eigen naam. Vervolgens voeg je gist toe die de suiker omzet in alcohol.

Zetmeel kun je vlot omzetten in suikers, maar cellulose laat zich slechts moeizaam en gedeeltelijk verknippen tot suikers. Dat komt doordat de cellulosevezels in hout aan elkaar gekleefd zijn met een soort cement, lignine. En dat hindert de afbraak van cellulose.
Met de technieken van de moderne biologie kun je bomen maken die minder lignine bevatten, maar die – voorzover we nu weten – verder nog steeds perfect gezond zijn. Bij de gewijzigde populieren van VIB is daartoe één van de radertjes van de biologische machinerie die lignine aanmaakt, gedeeltijk geblokkeerd. Proeven met in het lab gekweekte boompjes leverden tot 50% meer ethanol op. VIB-vorsers werken ook aan lignine met een gewijzigde samenstelling, dat minder hinderlijk is bij de omzetting van cellulose naar suikers.

Waarvoor wordt bio-ethanol precies gebruikt?
Ethanol kan, binnen zekere grenzen, toegevoegd worden aan benzine, zonder dat de motoren van auto’s daaraan aangepast moeten worden. Met lichte aanpassingen van de motor kunnen auto’s zelfs op honderd procent ethanol rijden. Voor het milieu heeft dat alleen zin als de ethanol van planten afkomstig is: dan wordt een fossiele brandstof (die voor extra CO2 en een stijgend broeikas-effect zorgt) vervangen door een brandstof die bij verbranding gewoon de CO2 teruggeeft die de plant eerst zelf uit de lucht heeft gehaald.
(De vergelijking is niet helemaal eerlijk, omdat bij de kweek van de planten voertuigen en meststoffen zijn ingezet, waarvoor ook fossiele brandstoffen zijn gebruikt. Maar toch.)

Waarom populieren inzetten voor de productie van bio-ethanol?
Bio-ethanol kan uit allerlei stoffen worden gemaakt, zolang ze maar suikers in een of andere vorm bevatten. Dat kan suiker uit suikerbiet of suikerriet zijn, of zetmeel uit bijvoorbeeld mais of aardappelen. Die bronnen zijn handig en geven een goede opbrengst aan ethanol, maar het zijn tegelijk ook voedselbronnen. Het kan niet de bedoeling zijn dat de voedselprijzen stijgen omdat de boeren hun gewassen aan ethanolfabrieken verkopen.

Een andere bron van suikers is cellulose, zeg maar houtvezels. Uit bomen, maar bijvoorbeeld ook uit stro. Materiaal dat wij niet opeten. Bovendien kunnen bomen groeien op gronden die niet voor landbouw in aanmerking komen. Populieren groeien snel, en bieden dus een goede opbrengst. Bovendien groeien ze op marginale gronden, en hebben ze nauwelijks of geen meststoffen nodig.

Waarom genetisch gewijzigde populieren?
Uit milieu- en duurzaamheidsoverwegingen zijn bomen een goede bron voor bio-ethanol, maar jammer genoeg is de opbrengst aan ethanol laag. Bio-ethanol uit bomen is duur. De cellulose in hout is omringd door de kleefstof lignine, die cellulose slecht bereikbaar maakt voor de stoffen die de vergisting tot ethanol mogelijk moeten maken. Vandaar dat we bomen genetisch gewijzigd hebben zodat ze minder lignine bevatten. Een tweede onderzoekspiste is om ervoor te zorgen dat ze lignine aanmaken dat zich makkelijker laat afbreken.

Bij proeven in de serre geven bomen met twintig procent minder lignine de helft meer ethanol. Er is een goede kans dat dit in plantages ook zo zal zijn, maar dat moet nog in veldproeven uitgetest worden.

Wat is cellulose?
Cellulose is een polymeer van glucose-eenheden. Ze is aanwezig in de vorm van fibrillen, dit zijn “kabels” die de celwand sterk maken. Hout bestaat voor een groot deel uit cellulose, maar bevat ook andere stoffen zoals lignine en hemi-cellulose. Hout bestaat voor ongeveer 50% uit cellulose.

Wat is hemicellulose?
Hemicellulose is een verzamelnaam voor een reeks zeer vergelijkbare koolhydraten die worden gemaakt in planten. Hemicellulose is een belangrijk onderdeel van de celwand. Cellulose is uitsluitend opgebouwd uit glucose-eenheden, terwijl hemicellulose ook uit andere suikers kan bestaan.

Wat is lignine?
Lignine is een chemische stof die voorkomt in de celwand van verschillende plantencellen. Hout bestaat voor ongeveer 20% uit lignine. Lignine is een soort kleefstof dat de “cellulosekabels” aan elkaar kleeft.  Als je de cellulosekabels in hout vergelijkt met de wapening in beton, dan kun je lignine vergelijken met de cement. 

Wat betekent GGO?
GGO staat voor genetisch gewijzigd organisme. In het Engels wordt dat GMO, genetically modified organism. Ook GGG kom je wel eens tegen; dat betekent genetisch gewijzigd gewas.

Wat wil transgeen zeggen?
In plaats van genetisch gewijzigd organisme spreekt men ook van een transgeen organisme.

Hoe verloopt de ontwikkeling van een GGO?
De ontwikkeling van een genetisch gewijzigd organisme (GGO) gebeurt in verschillende fasen:

  • Eerst komt de vraag: “Het zou toch wel handig zijn als er een plant (of een bacterie, een koe…) bestond die in staat is om …”. Bijvoorbeeld om te groeien op zilte grond, of beter droogte te doorstaan, of voedzamer te zijn, of minder sproeistoffen nodig te hebben, of noordelijker nog te groeien, of zware metalen uit vervuilde grond te halen, of beter geschikt te zijn om er bio-ethanol van te maken, lekkerder vruchten te hebben, of een geneesmiddel te bevatten, of extra vitamine A, of vruchten die minder snel rotten …
  • Dan komt de fundamentele onderzoeksfase: welke processen in de plant spelen mee bij de gezochte eigenschap, welke stoffen zijn daarbij betrokken, welke genen? Wat moet er aan de plant veranderen om de gewenste eigenschap te krijgen?
  • Dan komt de gentechnologie: het erfelijk materiaal van de plant wordt gewijzigd. Hierdoor wordt  een eigenschap toegevoegd, of een bestaande eigenschap geblokkeerd of gewijzigd.
    • Vervolgens wordt de nieuwe plant in het laboratorium en in de serre uitgebreid getest, vaak jarenlang. De onderzoekers zoeken in detail uit hoe de nieuwe plant zich gedraagt. Was hij voorheen giftig of op een andere manier gevaarlijk? En nu? Doet hij wat men dacht dat hij zou doen? Hoe komt dat? Kreeg hij onverwachte nieuwe eigenschappen? Reageert hij anders dan vroeger op insecten, schimmels, ziekteverwekkers? En reageren die anders op de plant? Hoe gemakkelijk kan hij zijn nieuwe eigenschap doorgeven aan wilde verwanten? Hoe gemakkelijk kan hij zelf overleven in het wild? Kan hij gaan woekeren? Gedraagt zijn stuifmeel zich zoals de ongewijzigde versie? Kunnen afgevallen takken wortel schieten? 
  • Sommige van die vragen kunnen pas echt goed beantwoord worden als de plant in open lucht staat. Uit zijn gedrag in het laboratorium en de serre, en uit onderzoek bij ongewijzigde verwanten op het veld en in de vrije natuur kunnen de onderzoekers met redelijke zekerheid voorspellen hoe de plant zich in het veld zal gedragen. Als dat veilig is voor mens, dier en milieu, wordt het tijd voor de eerste veldproef. Een klein aantal planten wordt op een beperkt terrein geplant, om te kijken of ze zich ook in de meer realistische omstandigheden van weer en wind gedragen zoals uit de proeven in lab en serre verwacht wordt.
  • Als hun veiligheid blijkt uit de veldproef worden ze in grotere aantallen getest in productie-omstandigheden.

Onderzoek in labo en serre blijven doorgaan. Ook als de plant al in het veld staat, heeft het nog steeds zin om in nog meer detail te begrijpen hoe hij fundamenteel in elkaar steekt, of om betere technieken voor gentechnologie te ontwikkelen. Maar uiteraard gaat een plant pas naar een volgende fase als de vorige fase voldoende gegevens heeft aangeleverd om dat veilig te laten gebeuren. En in alle fasen moet het onderzoek voldoen aan zeer strikte wettelijke voorwaarden.

Is het ontwikkelen van een genetisch gewijzigde plant wel veilig?
Niets is honderd procent veilig, maar bij het onderzoek naar genetisch gewijzigde planten worden strikte veiligheidsmaatregelen gevolgd. Die zijn véél strenger dan bij het klassieke kruisen van planten, hoewel daarbij veel meer genen voor het eerst met elkaar in contact worden gebracht.

Wie moet er allemaal zijn toestemming geven voor een veldproef in België?
In België zijn veldproeven gereguleerd door een koninklijk besluit uit 2005, dat gebaseerd is op een Europese richtlijn uit 2001.

  • In de aanvraag moet in detail beschreven worden wat er aan de plant gewijzigd is en hoe de proef uitgevoerd gaat worden. Er moet ook een risico-analyse bij. 
  • De experts van de (federale) Bioveiligheidsraad kijken dat na, vragen eventueel extra informatie, en geven dan hun advies aan de bevoegde overheden (federale ministers van Volksgezondheid en Milieu, en betrokken gewestelijke minister van Leefmilieu), eventueel met extra  voorwaarden.  
  • Intussen krijgt het publiek de kans om commentaren in te dienen. Als er daarbij veiligheidsargumenten opgeworpen worden, moet de Bioveiligheidsraad die meenemen in zijn advies.
  • De minister van Leefmilieu van het Gewest waarde proef doorgaat, moet eveneens een gunstig advies geven. Als hij/zij voorwaarden stelt, moeten die opgenomen worden in de eindbeslissing.
  • Vervolgens moeten de federale ministers van Volksgezondheid en Milieu hun toestemming geven. Daartegen is geen beroep mogelijk, behalve bij de Raad van State.

Hoe verliep de aanvraag van de VIB-veldproef?
Nadat het dossier ontvankelijk verklaard was, organiseerde VIB een buurtinformatie-avond. Na grondige studie en bijkomende informatie gaf de Bioveiligheidsraad een positief advies en werd hierin gevolgd door Vlaams minister van Leefmilieu Hilde Crevits. De  federale ministers Laurette Onkelinx (Volgsgezondheid) en Paul Magnette (Klimaat en Energie) weigderen de aanvraag . Ondanks Magnettes verklaring dat “de beslissing kan worden herzien als er zich nieuwe elementen aandienen”, bleven de ministers bij hun standpunt. VIB diende, met steun van minister Ceysens, een verzoekschrift in bij de Raad van State.

Waarom verbieden de federale ministers de veldproeven met de VIB-populieren?
De ministers Onkelinx (Volksgezondheid) en Magnette (Klimaat) voeren drie argumenten aan:

  1. Het dossier bevat geen specifiek evaluatieprotocol voor de weerslag op microben in de bodem, en voor de risico’s indien de populieren ongewoon zouden reageren op ziekten en klimaatstress.
  2. Bij de ontwikkeling van de bomen is een merkergen ingebracht voor resistentie tegen een antibioticum. Dat zou botsen met de wettelijke vereiste om het gebruik van dergelijke genen tegen eind 2008 te laten uitdoven.
  3. Het publiek uitte meer dan 40 opmerkingen over de ontwikkeling van agrobrandstoffen. De ministers vinden die gewettigd en willen geen toelating geven zolang er geen kader is om op die verzoeken een antwoord te bieden.

Wat vindt VIB van de argumenten van de ministers?
De argumenten van de ministers zijn stuk voor stuk aanvechtbaar:

  1. Het dossier was wel degelijk volledig. Als dit protocol al vereist was, had het ontbreken ervan de aanvraag onontvankelijk moeten maken. Nu is het dossier eerst ontvankelijk verklaard. Daarna werden de spelregels plots gewijzigd. Bovendien zijn die risico’s al onderzocht in andere veldproeven, onder andere in Frankrijk. 
  2. Het door VIB gebruikte merkergen moet niet geëlimineerd worden. Het KB en de Europese richtlijn 2001/18/EG, waarop het KB gebaseerd is, hebben het allebei over antibiotica-resistentiemerkers “die mogelijk negatieve effecten op de gezondheid en het leefmilieu hebben”. Volgens de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid valt de hier gebruikte merker daar niet onder. Deze merker is zelfs toegelaten voor grootschalige toepassingen op de markt, en dus zeker voor een kleine welomschreven veldproef.
  3. De ministers voeren, zonder enige wettelijke basis, een socio-economische en ethische toets in. Bedenkingen bij het nut van biobrandstoffen in het algemeen zijn interessant en waardevol. Ze hebben echter niets te maken met de vraag of deze veldproef veilig is voor de menselijke gezondheid en het leefmilieu – en dat is wat de ministers moeten beoordelen.
    Dan kun je net zo goed iemand die na vijf jaar studie met succes afgestudeerd is als jurist, toch zijn diploma weigeren  “omdat sommige mensen vinden dat er al advocaten genoeg zijn”.

Hoe reageerde  de Vlaamse overheid op de federale beslissing?
Minister van (onder andere) Economie en Wetenschapsbeleid, Patricia Ceysens, die ook voogdijminister is van VIB, sprak van een “boycot van het Vlaamse innovatieve milieubeleid” en steunt VIB uitdrukkelijk in haar strijd om de beslissing ongedaan te laten maken. Ook minister van Leefmilieu Hilde Crevits vond dat een dergelijke beslissing niet kan. Minister-President Chris Peeters zei dat “de beslissing moet worden teruggedraaid”. Minister Ceysens wou niet dat het onderzoek verloren ging en verleende VIB formeel toelating om “ten bewarende titel, het onderzoek van VIB naar het gebruik van genetisch gemodificeerde populieren bij de ontwikkeling van biobrandstof van de tweede generatie verder uit te voeren, met inbegrip van de veldproef”.

Waarom stapte VIB naar de Raad van State?
VIB staat voor een verantwoorde ontwikkeling van de biotechnologie in Vlaanderen.  VIB wil dat zijn onderzoek wetenschappelijk, milieutechnisch, sociaal, ethisch, economisch en juridisch verantwoord is.  VIB hecht daarom sterk aan de ontwikkeling van een wettelijk kader dat transparant en rechtszeker is, en dat op een correcte manier wordt toegepast. Wie een aanvraag doet voor een vergunning, en daarbij aan alle voorwaarden voldoet, moet de zekerheid hebben dat die vergunning binnen een redelijke termijn ook wordt verleend.

Om die reden is de onterechte weigeringsbeslissing van de ministers Magnette en Onkelinx voor VIB onaanvaardbaar, en voelt VIB zich moreel verplicht om alles te doen wat in haar macht ligt om die weigering om te zetten in een rechtsgeldige toelating en/of te pleiten voor een wettelijk kader dat dergelijke willekeur onmogelijk maakt.

Daarom heeft VIB deze zaak aanhangig gemaakt bij de Raad van State, dit is immers de enige mogelijkheid om bezwaar aan te tekenen tegen deze beslissing.


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 




print friendly printvriendelijke versie


 
Legal disclaimer © 2003 - Prod. by The Reference

 
english
nederlands