De Belgische wetgeving inzake genetisch gewijzigde planten
Genetisch gewijzigde planten worden meestal ontwikkeld met de bedoeling om ze te kweken. Soms kan dat in de besloten omgeving van een serre, maar voor bijvoorbeeld bomen en graanvelden zal men vroeg of laat met de planten in open lucht moeten komen.
Kennis verzamelen
Er is dan al heel wat kennis over de ‘ouderplanten’, waaruit met redelijke zekerheid voorspeld kan worden hoe de nieuwe planten zich zullen gedragen, wat hun invloed op hun omgeving zal zijn, welke dieren er nadeel – of voordeel – van kunnen ondervinden, hoe vlot de planten zich in de natuur kunnen verspreiden, of ze kunnen kruisen met wilde verwanten en wat daar dan weer de gevolgen van zijn ...
Al die voorspellingen moeten grondig gecontroleerd worden, op een zo voorzichtig mogelijke manier. Dat gebeurt via veldproeven. Eerst in het klein en sterk ingeperkt, dan op steeds grotere schaal. Tot de plant klaar is om op de markt te komen.
Wat zegt de wet over veldproeven?
Veldproeven zijn strikt gereguleerd door de Europese richtlijn 2001/18/EG omtrent de “doelbewuste introductie in het leefmilieu en het op de markt brengen van genetisch gemodificeerde organismen”. Die werd pas in 2005 omgezet in Belgische wetgeving: het Koninklijk Besluit van 21 februari 2005, ook wel genaamd het "KB tot reglementering van de doelbewuste introductie in het leefmilieu evenals van het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde organismen of van producten die er bevatten”. De federale minister(s) voor Volksgezondheid en Leefmilieu zijn belast met de uitvoering van dat KB.
De aanvraag
Wie een veldproef aanvraagt, moet onder andere grondig beschrijven wat er aan het gebruikte organisme gewijzigd is, wat er precies gedaan en gemeten wordt, welke controlestalen er beschikbaar zullen zijn. Hij moet ook een analyse maken van de risico’s voor de menselijke gezondheid en het leefmilieu. En hij moet een publiek dossier opstellen, in een vorm en taal die voor het grote publiek begrijpelijk is.
Advies van de Bioveiligheidsraad
De aanvraag wordt beoordeeld door de Bioveiligheidsraad, een verzameling van Belgische experten. Deze raad kan om verdere verduidelijking vragen, en eventueel extra veiligheidsmaatregelen of controleprocedures adviseren.
Raadpleging van het publiek
Intussen krijgt het publiek een maand (30 kalenderdagen) de kans om vragen, opmerkingen en bezwaren te uiten. De Bioveiligheidsraad reageert inhoudelijk op de publiekscommentaren, voor zover die verband houden met de risico’s voor de menselijke gezondheid en het leefmilieu.
Advies van de minister van Leefmilieu
Na het advies van de Bioveiligheidsraad, moet de gewestelijke minister van Leefmilieu advies geven. Vervolgens verhuist het dossier naar de federale minister(s) van Leefmilieu en Volksgezondheid, die beslissen over de vergunning. Als de gewestelijke minister voorwaarden heeft gesteld, moet de federale minister die in de vergunning opnemen.
Vergunning
Uiteindelijk verlenen – of weigeren – de federale ministers van Leefmilieu en Volksgezondheid een vergunning voor de veldproef.
Op de markt?
Een veldproef toestaan betekent niet dat het gewas al op de markt mag. Het is een eerste stap in een hele procedure.